Een man wordt door de Belastingdienst uitgenodigd om aangifte inkomstenbelasting over 2021 te doen. Deze uitnodiging wordt naar het adres gestuurd waarop hij staat ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP). Later ontvangt hij ook nog een herinnering om aangifte te doen op hetzelfde adres. Ondertussen informeert de gemeente hem dat hij zijn verhuizing moet doorgeven, omdat hij niet meer op het ingeschreven adres woont.
De man vraagt en krijgt uitstel voor het doen van aangifte tot september 2022. Kort daarna geeft hij een adreswijziging door aan de gemeente. Ondanks deze wijziging stuurt de Belastingdienst een aanmaning om aangifte te doen naar het oude adres, omdat dit nog steeds in de BRP staat. Uiteindelijk dient de man pas in februari 2023 zijn aangifte inkomstenbelasting in, na de in de aanmaning gestelde termijn.
De inspecteur stelt de aanslag conform de aangifte vast, maar legt ook een verzuimboete op wegens het te laat doen van aangifte. De man dient vervolgens bezwaar in tegen de opgelegde boete. Dit bezwaar komt te laat binnen en wordt niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur beschouwt het bezwaar ambtshalve als een verzoek tot vermindering van de boete, maar wijst dit af.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur juist heeft gehandeld en dat de verzuimboete passend en terecht is. De verantwoordelijkheid voor een juiste adresregistratie ligt bij de man. De rechtbank verwijt de man dat hij te laat zijn adreswijziging heeft doorgegeven en niet tijdig heeft voldaan aan zijn verplichtingen. Zowel de opgelegde aanslag als de boete blijven in stand.
Stel een vraag: