Of een recreatiewoning in aanmerking komt voor het verlaagde tarief van de overdrachtsbelasting, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Hiervoor zal de koper aannemelijk moeten maken dat zijn persoonlijke en economische belangen zich op het adres van de verkregen (recreatie)woning bevinden en ook dat er sprake is van een mate van duurzaamheid. De omstandigheid dat iemand zich niet op het adres van de woning kan laten inschrijven bij de gemeente is daarbij niet beslissend.
Een vrouw koopt begin 2024 een recreatiewoning. Daarnaast huurde zij al een woning in een andere gemeente. Bij de koop ondertekent ze een verklaring dat ze de recreatiewoning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. Voor de overdracht voldoet ze 10,4% overdrachtsbelasting, zoals vastgelegd in de leveringsakte. Na de aankoop stelt de vrouw dat de recreatiewoning haar hoofdverblijf is. Ze brengt naar eigen zeggen vijf dagen per week in de woning door, doet boodschappen in de omgeving en bouwt nieuwe sociale contacten op. Ook raakt ze betrokken bij de coöperatie op het recreatiepark. Als bewijs legt ze bankafschriften over van pintransacties in de buurt van de recreatiewoning.
De Belastingdienst merkt op dat de vrouw verklaart begin mei 2024 langere tijd in het buitenland te hebben verbleven, terwijl zij over die periode ook afschriften van pinbetalingen in de omgeving van de recreatiewoning heeft overgelegd. De inspecteur besluit daarop dat niet wordt voldaan aan het hoofdverblijfcriterium en weigert het verlaagde tarief van 2%. Ook het hof oordeelt dat de vrouw onvoldoende bewijs levert dat zij de recreatiewoning duurzaam als hoofdverblijf gebruikt. De vrouw heeft haar eerdere woonruimte aangehouden en ontplooit daar nog steeds sociale en economische activiteiten. Dat de pintransacties voornamelijk in het weekend plaatsvinden, wijst eerder op recreatief gebruik. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, en het tarief van 10,4% blijft van toepassing.
Stel een vraag: