De liquidatieverliesregeling vormt een uitzondering op de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting. Dat betekent dat een liquidatieverlies in mindering komt op de winst van de moedermaatschappij van de deelneming. Een liquidatieverlies is een verlies op een deelneming, dat tot uitdrukking komt nadat de deelneming is ontbonden. Er kan echter geen liquidatieverlies worden genomen als er recht is op een vorm van tegemoetkoming bij de belastingheffing ter zake van onverrekende verliezen van de ontbonden deelneming.
Volgens Hof Den Haag moet op het tijdstip waarop de liquidatie van de deelneming is voltooid, worden beoordeeld of er recht op enige vorm van tegemoetkoming voor de onverrekende verliezen bestaat. Het hof kwam tot dat oordeel in een procedure over het liquidatieverlies, dat een Nederlandse moedermaatschappij heeft geleden op een Ierse deelneming. De Ierse deelneming had voor haar liquidatie een deel van haar verliezen ter compensatie overgedragen aan andere Ierse groepsmaatschappijen in het kader van de Ierse 'group relief'-regeling.
De staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het hof. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond verklaard. Het oordeel van het hof over het tijdstip waarop de beoordeling van het recht op een tegemoetkoming moet plaatsvinden, is juist. De Hoge Raad heeft ook de opvatting, dat het gebruik van de Ierse 'group relief'-regeling voor de liquidatie van de dochtervennootschap als een tegemoetkoming moet worden beschouwd, afgewezen. Een zo ruime opvatting van “enige tegemoetkoming” strookt niet met doel en strekking van de liquidatieverliesregeling, aldus de Hoge Raad.
Stel een vraag: