Een man en een vrouw kopen samen een woning. Zij betalen hiervoor ook de 2% overdrachtsbelasting. Tegen de overdrachtsbelasting maken zij bezwaar. Zij menen recht te hebben op de startersvrijstelling. De man en de vrouw betogen dat de woningwaardegrens (€ 525.000 in 2025) discriminatoir, arbitrair en onrechtvaardig is. Zij stellen dat alleen het bedrag boven de grens belast zou moeten worden.
De rechtbank oordeelt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het vaststellen van belastingregels en "dat de woningwaardegrens niet evident van redelijke grond is ontbloot". De wetgever heeft de grens ingesteld om minder vermogende huizenkopers te ondersteunen. Dit onderscheid is volgens de rechtbank gerechtvaardigd. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van discriminatie en verklaart het beroep ongegrond. De man en de vrouw krijgen geen teruggaaf van de overdrachtsbelasting.
Stel een vraag: