Een dga bezit alle certificaten van aandelen in een holding. De certificaten zijn uitgegeven door een stichting die enig aandeelhouder is van de holding. De holding lijdt van 2015 tot en met 2017 structurele verliezen en heeft een negatief eigen vermogen. Op 3 augustus 2018 stort de dga € 268.500 van de verkoopopbrengst van een pand als lening in rekening-courant bij de holding. De holding stort het geld door naar een van haar dochtervennootschappen, die vervolgens € 200.000 overmaakt aan de vader van de dga, ter aflossing van een eerdere lening. De rekening-courantovereenkomst tussen de dga en de holding dateert van 1993, met een addendum uit 2013.
In 2019 en 2020 worden de bv's failliet verklaard. De dga neemt in zijn aangifte 2018 een afwaardering op van € 271.135 (de lening plus bijgeschreven rente). De inspecteur accepteert deze afwaardering niet. De inspecteur stelt primair dat de geldstorting geen lening aan de holding is, maar een aflossing van een privéschuld van de dga aan zijn vader. Het hof oordeelt echter dat de geldstromen, de boekhoudkundige verwerking en de inbreng van de vordering in het faillissement aantonen dat het wel degelijk om een lening gaat. De inspecteur slaagt er niet in aannemelijk te maken dat sprake is van een schijnlening of een bodemlozeputlening. De latere verstoring van de bedrijfsactiviteiten door de broer van de dga was niet voorzienbaar op het moment dat de lening werd verstrekt, waardoor niet duidelijk was dat deze lening niet zou worden terugbetaald.
Vervolgens beoordeelt het hof of sprake is van een onzakelijke lening. De inspecteur moet aannemelijk maken dat de dga een debiteurenrisico heeft aanvaard dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Het hof oordeelt dat de inspecteur hierin slaagt. De financiële positie van de holding was al geruime tijd zwak, met structurele verliezen en een negatief eigen vermogen. De reorganisatieplannen van de dga zijn onvoldoende onderbouwd, met name de financiering van benodigde inkopen. De lening is bovendien voornamelijk gebruikt voor schuldvervanging (€ 200.000 aflossing aan de vader) en heeft de liquiditeitspositie nauwelijks verbeterd. De in de rekening-courantovereenkomst opgenomen zekerheden zijn onvoldoende, mede gezien de verliezen van de dochter en de twijfelachtige waarde van haar activa. Een vergelijkbare lening van een derde aan de dochter is niet onder dezelfde voorwaarden verstrekt, omdat daar persoonlijke garanties van de dga en zijn partner aan verbonden waren. Een onafhankelijke derde zou dit risico niet hebben genomen.
Het hof concludeert dat de dga een debiteurenrisico heeft aanvaard dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Daarom is sprake van een onzakelijke lening. Het afwaarderingsverlies van de rekening-courantvordering is niet aftrekbaar.
Stel een vraag: