Om belastingrente op de erfbelasting te voorkomen, moet de aangifte of een verzoek om een voorlopige aanslag tijdig worden ingediend. Maar wat is precies 'tijdig'? De Belastingdienst meent dat dit binnen acht (2026: twintig) maanden na het overlijden moet. De erfgenaam stelt dat de termijn ruimer is en loopt tot de eerste dag van de negende (2026: éénentwintigste) maand ná de maand van overlijden.
Een vrouw is samen met haar zus als erfgenaam aangewezen in het testament van haar moeder. Na het overlijden van moeder nodigt de inspecteur de vrouw uit om voor 13 januari 2024 aangifte erfbelasting te doen. Eind januari verzoekt de vrouw om een voorlopige aanslag. De inspecteur legt overeenkomstig dit verzoek een voorlopige aanslag op. Hij brengt daarbij € 4.211 belastingrente in rekening, omdat het verzoek niet binnen acht maanden na het overlijden is ingediend. De vrouw is het daar niet mee eens.
De AWR bepaalt dat geen belastingrente in rekening wordt gebracht als een verzoek om een voorlopige aanslag is ontvangen ‘voor de eerste dag van de negende maand na het overlijden’. Die formulering wijkt af van de termijn van ‘acht maanden na het overlijden’ die in de Successiewet voor de aangiftetermijn wordt gebruikt. De rechtbank oordeelt dat de tekst van de AWR eenduidig is en geen aanleiding tot nadere interpretatie geeft. Als een termijn van acht maanden was bedoeld, had de wetgever dezelfde bewoordingen kunnen gebruiken. De belastingrente is daarom ten onrechte in rekening gebracht.
Stel een vraag: